PIC breekt negatieve correlatie biggenproductie en uitval

In de Nederlandse varkenshouderij is veel te doen over de uitval van biggen in de kraamstal. Door decennialange fokkerij vanuit de Total €conomy en nieuwe fokkerijtechnieken heeft PIC de negatieve correlatie tussen biggenproductie en uitval kunnen breken. Fokkerij op robuuste varkens geeft een stijging van de productie in de kraamstal zonder dat meer biggen uitvallen. De uitval gaat procentueel omlaag.

PIC heeft de fokkerij ingericht vanuit de Total €conomy-gedachte. De focus ligt niet op het aantal geboren biggen, maar het aantal varkens dat per zeug wordt geslacht en door kwaliteit de hoogste opbrengst genereert. Dat geeft het hoogste rendement in de varkensketen. “Dat doet PIC al sinds de oprichting in de jaren ‘60”, vertelt geneticus Saskia Bloemhof. Deze succesvolle filosofie komt ook terug in de recente discussies rondom uitval in de kraamstal. Dat heeft een maatschappelijk, maar zeker ook een economisch belang. “Veruit het grootste deel van de kostprijs van varkensvlees bestaat uit voerkosten. Fokken op een lage voerconversie is belangrijk, maar ook de overleving en gezondheid tot aan slachten heeft een grote invloed.”

Selectie op praktijkbedrijven

De aanpak van PIC komt erop neer dat fokkerij altijd gebeurt op basis van meer dan 20 kenmerken. Sommige kenmerken hebben een hoge erfelijkheidsgraad en zijn goed aan het dier te meten. Groei is daar een voorbeeld van. Maar er zijn ook kenmerken met een lage erfelijkheidsgraad die bovendien lastig te meten zijn. Dat is bij bigoverleving het geval.
Om dan toch genetische vooruitgang te boeken, maakt PIC gebruik van de GNX-bred-techniek. Dat betekent dat de selectie van de beste dieren niet op fokkerijtestbedrijven gebeurt, maar op praktijkbedrijven. Dat levert bovendien veel meer data op, wat nodig is om goed te kunnen selecteren. “Hoe lager de erfelijkheidsgraad, hoe belangrijker dat is. En daar is deze techniek heel goed voor geschikt”, legt Bloemhof uit.

Werkelijke verwantschap

Een andere fokkerijtechniek die bij bigoverleving zijn waarde laat zien is Relationship Based Genomic Selection (RBGS). Daarbij wordt in de fokwaardeschatting de aangenomen verwantschap tussen dieren vervangen door de werkelijke verwantschap. Dit geeft een snellere genetische vooruitgang. Door het optimaliseren van familierelaties in de BLUP-fokwaardeschatting heeft RBGS impact op alle kenmerken binnen het fokprogramma van PIC. Verder was PIC de eerste fokkerijorganisatie die genomic selection (met onder andere merkers) wist te implementeren in het fokkerijprogramma.

Genetische trend omgebogen

Vanaf de invoering van RBGS in 2012 is de genetische trend van overleving omgebogen naar plus 2,5% in 2016. Oftewel de sterfte is gedaald met 2,5%. Volgens Bloemhof is dat volledig toe te schrijven aan de keuzes in de fokkerij. “Het zal de komende jaren wel iets afzwakken maar ik verwacht een meerjarige vooruitgang van 35%. Dat is gelijk aan de vooruitgang die we op andere kenmerken boeken.” Ook het gemiddelde geboortegewicht neemt toe; over de afgelopen drie jaar steeg deze met ongeveer 120 gram per big op het niveau van zuivere lijnen.

‘Zeug moet het zelf kunnen’

Voor varkenshouders betekent dit alles méér geboren biggen, méér biggen die door de eigen moeder worden grootgebracht en uiteindelijk méér varkens geslacht. Ofwel: meer robuustheid in de varkensstapel. Op de fokbedrijven kwam er in 2016 al een big per zeug per jaar bij. De zeugenbedrijven met aandacht voor dierenwelzijn gaan dat ook realiseren. Al deze biggen moeten door de eigen moeder worden grootgebracht. “Arbeid en hulpmiddelen kosten tijd en geld en daarom moet de zeug het zelf kunnen.” Dat blijft voor PIC het uitgangspunt, ook als de biggenproductie de komende jaren blijft stijgen.

Laat wat van je horen

*